Shield_VHC.jpg

 

 

Verhalen - 1602 - Liesbeth Lauwers, de heks van Eppegem

 

Het proces dat in 1601 in het Vlaamse dorp Eppegem werd gehouden tegen Jasper Colveniers en zijn vrouw Liesbeth Lauwers toont aan hoe enkele eeuwen geleden de beschuldiging van hekserij tot tragische gevolgen kon leiden. Jasper en Liesbeth uit Eppegem deden in die tijd foren en kermissen aan met een poppenspeltheater. Het koppel werd omwille van een vertoning in Putte voor het gerecht gedaagd en beschuldigd van toverij, laster en zeer scandaleuze spelen. Hun poppen Sint-Pieter, Sint-Pauwel, een minderbroeder en de duivel belandden op de brandstapel. Na een heksenproces, zou ook Liesbeth op de brandstapel belanden.

 

Foto niet beschikbaarHet verhaal begon in juli 1601 tijdens de kermis in Putte nabij Mechelen

Jasper Colveniers1 en zijn echtgenote Liesbeth Lauwers waren foorkramers uit Eppegem die een klein poppenspeltheater bezaten. Daarmee reisden zij foren en kermissen af. Volgens de overlevering waren zij zeer vaardig in de "conste van de camerspeelderijen" en genoten overal grote bijval. De eerste avonden verliepen de zaken goed. De inwoners kwamen genieten van het schouwspel van de "mennekens".

Tot het gerucht de ronde deed dat de drossaard2 van Putte, Maarten Cuytens3, Liesbeth beschuldigde een tovenares te zijn. Men beweerde dat hij haar als heks zou aanklagen bij de rechtbank. Nog dezelfde nacht vluchtten Jasper en Liesbeth naar Eppegem.

"Naar alle waarschijnlijkheid", schrijft de Perkse ex-secretaris Jos Lauwers4, "wilde zij niet aan de begeerten van Maarten Cuytens voldoen." Dit kan de aanleiding zijn. Wij vermoeden dat er (ook) een politieke reden meespeelde: Liesbeth Lauwers was verwant met de vroegere meier Geert Lauwers die in de streek had gewerkt in dienst van de hertogen van Brabant. Die lagen al langer in conflict met de heren van Grimbergen, voor wie de aanklagers in dit proces werkten. Beide partijen hadden tegenstrijdige belangen in de streek.

Afbeelding: de Sint-Niklaaskerk in Putte. Evenals Sint-Katelijne-Waver en Onze-Lieve-Vrouw-Waver, was Sint-Niklaas-Waver één van de zogenaamde "Waverparochies" in het Waverwoud, die in 1265 erkend werden door de bisschop van Kamerijk. Van de vroegste bouwgeschiedenis van de vroegere kerk van Putte is niets bekend aangezien alle archiefstukken van voor 1611 verloren gingen tijdens de 16de-eeuwse godsdiensttroebelen. In de 17de eeuw werd een nieuwe toren (1612-1614) gebouwd en in de 18de eeuw werd de kerk vernieuwd en uitgebreid met zijbeuken9.

De beschuldiging van hekserij door de Putse drossaard Cuytens weerlegd

Op 16 juli 1601 werden zij in beschuldiging gesteld te Eppegem. In hun thuisgemeente waanden zij zich op veilige bodem. Jasper deed er alles aan om zijn vrouw van alle verdenking vrij te stellen. Hij daagde Maarten Cuytens voor de schepenbank van Eppegem "in materie van injurie". Hij zou bewijzen dat de betichting van de drossaard van Putte louter laster was.

Een eenvoudige poppenspeler zou echter minder gewicht in de schaal kunnen leggen dan een drossaard. Maarten Cuytens was behalve drossaard van Putte, ook heer van Beersel en meier5 van Zemst en Weerde.

Op 10 juli 1601 was de "vierschaer extraordinaire" van het Eppegemse schepencollege bijeen onder het voorzitterschap van Hendrik Verbeke. Alle schepenen waren aanwezig. Jasper Colveniers had voor zijn verdediging advocaat Van Den Eede aangesteld. Jasper verscheen zelf voor de rechtbank als echtgenoot en voogd van de beschuldigde Liesbeth Lauwers. Uiteindelijk moest Maarten Cuytens toegeven dat hij geen bewijzen had, en herriep hij zijn beschuldiging. Hij verklaarde dat het hem speet en dat hij Liesbeth Lauwers beschouwde als "een vrouwe van eere en deugt". Daarmee zou de zaak echter niet van de baan zijn.

De Eppegemse drossaard Longin spande een nieuwe zaak aan in Eppegem

De drossaard van Eppegem, jonker Antoon Longin, tekende beroep aan en nam formeel de verwijten voor eigen rekening. Longin bleek een machtige tegenstander6. Jasper werd van aanklager beschuldigde. Hij werd met zijn vrouw opgesloten in de burcht van hertog Wenceslaus7 te Vilvoorde.

http://assets.catawiki.nl/assets/2015/7/14/e/5/7/e577f776-2a2d-11e5-945a-779c28e3648f.jpg http://assets.catawiki.nl/assets/2015/7/14/e/6/f/e6f36d24-2a2d-11e5-969f-52fd952bd985.jpg

Gouden lam van Johanna van Brabant en Wenceslaus (1355-1383), geslagen te Vilvoorde in de periode 1357-1371.

 

Nederlanden / Spaanse Nederlanden - 5 verschillende grote rekenpenningen van 1587 tot 1660 (Albert en Isabella, Philips IIII) http://assets.catawiki.nl/assets/2016/8/14/a/9/4/a94a37f2-6229-11e6-8f22-e9f4d19e4216.jpg

Een rekenpenning van 1589 uit het hertogdom Brabant, in de tijd waarin het proces plaats vond, geslagen onder Albrecht, zoon van Maximiliaan II van Oostenrijk, gehuwd met Isabella van Spanje, dochter van Filips II.

20091129_kasteelVilvoorde.jpgAfbeelding: het voormalige kasteel van Vilvoorde volgens een gravure van 1696 (Le Roy). Het kasteel, ook bekend als de burcht van Wenceslas, werd in 1776 gesloopt en vervangen door een gevangenis.  Die functie vervulde het kasteel ook omstreeks 1602, toen Liesbeth Lauwers er in de kerkers werd opgesloten en er de dood vond.

 

Destijds behoorde het land van Grimbergen aan prins Philippe-Willem van Oranje. Behalve Eppegem, omvatte het gebied Beigem, Londerzeel, Meise, Strombeek, Boom, Willebroek en Ruisbroek. Het beheer van het land van Grimbergen was in handen van drossaard Longin. De ordonnantiën van Philips II om de hekserij te beteugelen werden met harde hand toegepast. Jasper en Liesbeth werden "pedo ligato", met gebonden voeten, met ijzers aan de wand geklonken. Ditmaal was Liesbeth formeel beticht van hekserij door de schepenbank op aantijging van de drossaard van Eppegem.

De beschuldiging van hekserij

 In de originele tekst van de beschuldigingakte werden Jasper en Liesbeth verweten dat zij personages ten tonele hadden gevoerd als Sint-Pieter en Sint-Pauwel met een zotskap op het hoofd, een minderbroeder, een vrouw, de kwade geest van de duivel, een Moor en een Moorse, waarmee schandaleuze spelen op diverse kermissen en feesten werden gevoerd "by maniere van tooverije".

De akte vermeld verder dat deze personages, zoals de minderbroeder, dansten met de duivel en de vrouw, en dat het erger werd naar het einde van de voorstelling toe wanneer de minderbroeder werd onthoofd in een gevecht met andere personages. De personages van Sint-Pieter en Sint-Pauwel gingen zelfs een ongehoord gevecht aan om de vrouw "Jouffrou Margriete" te hebben, kusten haar en betasten haar buik, en omarmden zelfs elkaar.

Dit alles werd als zeer onkuis en schandalig beschreven, en het was een openbare bespotting van de heilige apostelen en de orde der minderbroeders. Er werd aan toegevoegd dat dit alles bovendien geschiedde door middel van tovenarij met  behulp van de duivel. "Dit behoorde in een land van justitie niet getolereerd te worden, maar tot voorbeeld van anderen bestraft".

http://lh3.ggpht.com/_AsKiVo9jNp0/SqOYXudhoCI/AAAAAAAALYU/Wgg7pkSJs8A/s640/1_061%20Zenne%20te%20Eppegem.JPGHet proces in Eppegem

Van november tot december 1601 vond het proces plaats voor de vierschaar van Eppegem. Jasper en Liesbeth verschenen op 28 november 1601 opnieuw voor de "vierschaer extraordinaire" te Eppegem, in aanwezigheid van meier Verbeke en de schepenen. Advocaat Van Den Eede die hen in juli nog verdedigde, trad nu op voor de drossaard van Eppegem. Een andere advocaat Esdeuren, stond de poppenspelers bij. Esdeuren verzocht om de voorwaardelijke invrijheidstelling van Jasper Colveniers, onder verbintenis van zijn persoon en goederen. Dit werd door de rechtbank toegestaan mits het betalen van een borg van 100 pond. Liesbeth Lauwers moest wel terug naar de gevangenis en zij werd opnieuw in de ijzers geslagen.

Afbeelding: de Zenne te Eppegem

Wij nemen aan dat het eerste deel van het proces plaatsvond in de herberg "De Spiegel" te Eppegem8. Mogelijk genoten de poppenspelers er teveel bijval van dorpsgenoten, zodat men het verdere proces op een andere plaats liet doorgaan. In 1601 was bovendien Willem Lauwers, verwante van Liesbeth, schepen te Eppegem. Procureur Van Den Eede vertegenwoordigde opnieuw de aanklager in het proces. Waar dit in juli nog Jasper Colveniers was, trad deze keer jonker Longin als aanklager op.

 

De veroordeling in Vilvoorde

Tussen 5 en 22 december verschenen Jasper en Liesbeth opnieuw voor de vierschaer, maar dit maal op grondgebied van de vrijheid Ter Borght te Vilvoorde. Jasper verklaarde er hoegenaamd niet zinnens te zijn enigerlei kosten te doen om zijn vrouw te helpen. "De zaak van zijn vrouw ging hem niet aan," staat in de verklaring van de advocaat, "en hij moest zich niet verantwoorden en geen geld tot vervolging van de rechtspraak voorschieten." Daar werd wel aan toegevoegd dat hij van zijn vrouw hield met eer.

Vermoedelijk probeerde Colveniers de zaak te doen splitsen en voor beiden een mildere straf te bekomen. Uit het verdere verloop van de gebeurtenissen zou blijken dat Jasper zijn vrouw bleef steunen waar hij kon. Voor Liesbeth betekende het wel dat zij voor de rechtbank moest verschijnen zonder hulp of steun.

Op 2 januari 1602 werd eindelijk het geding ten gronde opgeroepen. Jonker Longin verzocht de vierschaar tot een "vonnis interlocutoir", waarin werd vastgesteld dat de zaak tegen Liesbeth Lauwers niet met definitief vonnis kon worden beslist. Verdere informatie moest worden ingewonnen om de aanklachten met nieuwe bewijzen te staven. Liesbeth kreeg daardoor ook tijd haar verdediging voor te bereiden en de aantijgingen te weerleggen. Bij elk verhoor had Liesbeth heftig geprotesteerd en haar onschuld staande gehouden. Jasper werd veroordeeld te voorzien in de voedingskosten gedurende het proces. Omwille van het schandaal, moesten de poppen in aanwezigheid van de eigenaar worden verbrand.

20091129_Bosch.jpgAfbeelding: twee heksen, pentekening van Hieronymus Bosch (ca. 1450-1516)

De vierschaar stelde vast dat Jasper en Liesbeth twintig jaar waren getrouwd, dat de vrouw doorging voor een heks en dat Jasper daartegen nooit had geprotesteerd noch de lasteraars aangeklaagd had bij het gerecht hoewel zijn bezorgdheid bekend was voor zijn goede naam en faam. Men stelde dat Liesbeth haar toverijen had geleerd bij haar eigen man en dat deze zich niet voor haar borg wilde stellen. Jasper zou hebben verklaard "het hart van zijn vrouw niet te kennen net zomin als de vader het hart van zijn kind kent." Daarin zag men het bewijs dat Jasper niet zo zeker was van de onberispelijkheid van zijn echtgenote. Men hield voor waarachtig wat beide poppenspelers ten laste werd gelegd en dat dit enkel met de hulp van de duivel had kunnen gebeuren. Het zag er niet goed uit voor hen.

De Vierschaar vond de drossaard dan ook gerechtigd de aangeklaagde tot de galg te laten veroordelen en hun goederen in beslag te laten nemen de gunste van de Prins van Oranje, heer van het land van Grimbergen. Jonker Longin verklaarde zich bereid zich neer te leggen bij de rechtspraak.

Jasper toonde zich behendig in zijn verdediging. Hij verzocht op vrije voeten te worden gesteld op grond van het vonnis van 28 november en een akte van 5 december 1601, waarin was aanvaard door de drossaard dat de bewering als werd zijn vrouw door elkeen voor een tovenares gehouden, onwaarschijnlijk en ongegrond was. Jasper had toen verklaard geen weet te hebben van dergelijke geruchten, dus de lasteraars niet voor het gerecht te kunnen dagen, en dat hij nooit in twintig jaar huwelijk één of andere criminele praktijk had opgemerkt bij zijn echtgenote. Hij haalde aan dat, zo gauw hij wist dat Maarten Cuytens zijn vrouw van hekserij had beticht, hij deze voor de rechtbank van Eppegem had gedaagd en dat deze zijn beschuldigingen had herroepen. Jasper voerde aan dat dit alles moest volstaan om zijn vrouw van alle verdenkingen vrij te stellen en dat hem niet kon worden verweten dat hij haar zonder hulp had gelaten. "Het betaamde niet," haalde hij aan, "dat hij als ingezetene die al jaren banden had met Brabant zich borg moest stellen in deze zaak." Jasper verklaarde dat zijn poppen door hem zelf uit eenvoudig hout waren gesneden, dat hij en zijn vrouw ze eigenhandig versierden en kleedden, en dat deze met zijn eigen handen en vingervlugheid werden bewogen. Dat sloot elke vermeende tussenkomst van de duivel uit. Hij verklaarde ook dat het poppenspel niet meer schandalig of verboden was dan wat men te zien kreeg in toneelspel dat wel overal werd toegestaan en verdragen. Er waren geen ordonnanties, plakkaten of charters waarin dergelijke spelen werden verboden! Jasper verzocht daarom de vierschaar alle beschuldigingen ongegrond te verklaren en hem vrij te stellen van het betalen van kosten.

Het vonnis was niettemin onverbiddelijk. De rechtbank oordeelde dat Jasper moest worden aanzien als schuldig aan een strafbare daad, dat de poppen moesten worden verbrand, en dat het Jasper voortaan verboden was nog dergelijke spelen op te voeren. Hij werd veroordeeld tot een boete van 25 Rijnguldens ten bate van de heer van Grimbergen, ongeacht de kosten die reeds door de drossaard waren voorgeschoten ten behoeve van het proces. Jasper moest dus niet naar de galg, maar Liesbeth bleef in de Eppegem rond - vers 1900gevangenis onder de beschuldiging van toverij. Nu kon de vierschaar apart het onderzoek naar Liesbeth voortzetten.

Afbeelding: Eppegem omstreeks 1900

Tussen december 1601 en 18 februari 1602 werd de lijst van getuigen ten laste en ten onlaste van Liesbeth vastgesteld. Eind februari 1602 werden deze opgeroepen. Op 15 maart 1602 werd Jasper beboet met 10 Rijngulden omdat hij ene Godevaert van Gulick een pot bier over zijn hoofd had gegoten en met een mes had bedreigd omdat deze de zaak tegen zijn vrouw had gedeponeerd. Jasper had zijn ongelukkige vrouw dus niet volkomen aan haar lot overgelaten. Inmiddels sleepte het geding aan. De vierschaar moest er nog zeventien zittingen aan wijden, zonder voldoende bewijzen te kunnen vergaren. En toch zou deze geschiedenis een tragische afloop kennen.

Op 4 mei 1602 werd Jasper Colveniers veroordeeld tot betaling van 98 Rijksgulden voor de gerechtskosten betaald door de drossaard. Ondanks alle ontberingen die Liesbeth bij elk verhoor en in de gevangenis moest doorstaan, hield zij inmiddels hardnekkig staande volkomen onschuldig te zijn. Bij de schepenen groeide mettertijd evenwel de overtuiging dat zij werkelijk door de duivel was bezeten. De redenering was immers dat haar moedige weerstand wel door de duivel moest worden gesteund... men geloofde dat deze alle pijnen op zich nam.

20091129_foltering.jpgHet tragisch einde van "de heks van Eppegem"

Op 27 november 1602 stelde meier Hendrik Verbeke voor om de betichte te onderwerpen aan een streng verhoor op de pijnbank. Dit werd door alle schepenen aanvaard, en zo belandde Liesbeth op 1 december in de folterkamer.

Er was geen protocol voor de folteringen die Liesbeth moest ondergaan. Die gebeurden onder de volledige willekeur van de "officier crimineel". De beproevingen duurden de ganse dag tot laat in de avond. Uiteindelijk bekende Liesbeth uitgeput en waanzinnig van pijn "criminele commercie gehad te hebben met den quaden gheest." Dat betekende voor haar hoe dan ook het einde. Naar verluid vond men de volgende dag haar lijk in haar cel van de Vilvoordse gevangenis.

Voor drossaard Antoon Longin was daarmee de zaak niet ten einde. Hij wreekte zich op het lijk van Jaspers echtgenote. Longins procureur Nicolaas van Leune eiste dat het stoffelijk overschot op de brandstapel tot as zou worden verbrand. De vierschaar10 trad deze eis bij. In de folterkamer had Liesbeth immers bekend een heks te zijn. Hoogst ongeloofwaardig werd genoteerd dat Liesbeth  in de gevangenis zichzelf het leven had benomen... Het was ondenkbaar in een officieel stuk te verklaren dat zij dood was gefolterd of vermoord.

Het lijk van Liesbeth Lauwers werd in het openbaar op de brandstapel tot as verbrand. Haar schamel bezit werd aangeslagen ten gunste van prins Philippe-Willem van Oranje11.

https://scontent-bru2-1.xx.fbcdn.net/v/t1.0-1/p200x200/16603030_1412810078763985_3033288456232183529_n.jpg?oh=af88ab911202811136bda57d4da2ede6&oe=598C1AAFOorsprong van de naam van het Poppentheater 'De Spiegel' uit Kontich

 

Poppentheater De Spiegel, opgericht door Felix Van Ransbeeck in Kontich in 1965, ontleende zijn naam aan de herberg ‘De Spiegel’, waar in 1602 poppenspeler Jasper en zijn vrouw Liesbeth werden berecht op last van hekserij en toverachtige praktijken. De echtgenote van Felix Van Ransbeeck, Virginie Willems, stamt af van de familie die in 1601-1602 de herberg 'De Spiegel' bezaten in Eppegem.

 

In Centraal- en West-Europa was poppenspel tot in de middeleeuwen een instrument voor religieuze instructie. Poppenspel was de zichtbare bijbel van de analfabete gelovigen. De Franse term marionet is dan ook afgeleid van Marie, de heilige maagd. Vanaf de middeleeuwen verspreidde het poppentheater zich vanuit Frankrijk en Spanje over heel Europa.

 

De poppenspelers, graag gezien op marktplaatsen en in herbergen, werden één van de eerste professionele figuren in de amusementswereld. Hoewel geliefd bij het volk, ondervonden deze poppentheaters nu en dan tegenstand van het geestelijk en wereldlijk gezag. Het poppenspel was dan verboden, dan weer toegelaten. In de periode dat het de Rederijkers verboden werd toneel te spelen werden mensen door poppen vervangen en ging het poppentheater niettemin een lange bloeitijd tegemoet.

Genealogie Laurentii

Numquam solus incedes

 

 

Inhoud

Blog

Documenten

Foto's

Gezinnen

Stamboom

Startpagina

Thematisch

Verhalen

Verwante families

 

 

 

Voetnoten

 

1  Naam ook gespeld als Cobeniers en Cobbeniers, vermoedelijk ook Coveliers. Colveniers waren leden van de schuttersgilde die een vuurwapen droegen. Jasper Colveniers en Liesbeth Lauwers waren omstreeks 1582 gehuwd in Eppegem.

2 drossaard = bestuursambtenaar, vroeger legerhoofdman

3 Maarten Cuytens werd geboren omstreeks 1568 als zoon van Claes Cuytens. Hij was gehuwd met Katrien Van Ophem en hij was drossaard in Putte, meier van Zemst en rentmeester van Jacques de Berghes, heer van Grimbergen. Hij overleed op 14 maart 1632 in "Den Engel" in Mechelen. Eén en ander doet vermoeden dat er politieke motieven aan de grondslag lagen van de vete, tussen de heren van Grimbergen en de hertogen van Brabant. Merk dat Gheert Lauwers, geboren omstreeks 1440, meier van Kapelle-op-den-Bos was voor de hertogen van Brabant. Hij woonde tussen Hombeek en Leest.

4 Jos Lauwers in “De Semse Kroniek” nr. 1, jaargang 20. Jos Lauwers was gemeentesecretaris te Perk en is een verdienstelijk heemkundige.

5 meier = rentmeester.

6 Jonker Longin was heer van Lier en van Roosendaal, twee heerlijkheden onder Grimbergen. Hij was een zoon van Laureys Longin, de heer van Groot-Bijgaarden en Lembeek, schatbewaarder generaal voor de Nederlanden onder keizer Karel, en van Maria van Heyleweghen, de dochter van de voorzitter van de Raad van Vlaanderen.

7 De burcht van Wenceslaus werd gebouwd vanaf 1380 en stond in de buurt van de kerk van Vilvoorde. Ze diende als staatsgevangenis vanaf 1408. Wegens zwaar verval werd ze gesloopt in 1773.

8 Zie ook het verhaal van het poppentheater De Spiegel, vernoemd naar het heksenproces in de gelijknamige taverne.

9 Bron: Agentschap Onroerend Erfgoed 2017

10 De Vierschaar was een gerecht of hof bestaande uit een drossaard en een college van welgeboren mannen. Dit waren aanvankelijk leenmannen van de graaf, later mannen gerekruteerd uit het respectabele en meestal gegoede deel van de bevolking. De oorspronkelijke taak was het vertegenwoordigen van de graaf op het gebied van 'justitie en politie'. Ook waren zij bevoegd uitspraken te doen in zowel halszaken (waar lijfstraffen/ doodstraf op stonden) als boetstraffelijke zaken. Vier schaar is een stukje rechtssymboliek (net als het opstaan als de rechtbank binnenkomt, waarmee de vier banken werden bedoeld die de rechtbank omsloten en waarover ongetwijfeld een ban was uitgesproken, dat de rechters met eerbied behandeld moesten worden, niet mochten worden mishandeld etc. Het huidige woord rechtbank refereert er nog aan, hoewel de rechters gewoon stoelzitters zijn.

11 Philippe-Willem van Oranje was heer van het land van Grimbergen en zoon van Willem de Zwijger.

 

Andere bronnen: Eugène Peeters in De Brabantse folklore nr. 204, 1974 - Marijke Ryckmans in "De dorpsgemeenschap Eppegem in de late middeleeuwen en de nieuwe tijd (tot 1654)", verhandeling aangeboden tot het behalen van de graad van licentiaat in de Geschiedenis  - Geschied- en Aardrijkskundig Woordenboek der Belgische Gemeenten, Eug. De Seyn, Brepols, Turnhout - Nationale Archieven, Albertinabibliotheek Brussel - A. Goovaerts in "poppenspel, tooverij, pijniging. Een zonderling proces in 1601-1602 voor de vierschaar van de schepenbank van Eppegem", 1895.