1247b.jpg

 

 

Graafschap Vlaanderen  - Willemar Lauwereyns van Diepenhede, Brugge

Willemar Lauwereyns van Diepenhede1247b.jpg werd geboren omstreeks 1247 als zoon van Odin Lauwereyns van Diepenhede 1247b.jpg en Johanna Van Velthuysen. Hij huwde omstreeks 1275 in Brugge met Catharina van Vosmaer, een dochter van ridder Robert van Vosmaer.

 

Willemars familienaam werd ook gespeld als Lauwerens, Lauwers, Laurin, Laurijn, Lauwerijn, Lauwereys. Hij overleed in 1292.

 

Ouderlijk gezin:  Lauwereyns - van Velthuysen, Brugge

 

Afstammelingen:

·         Simon Lauwereyns van Diepenhede 1247b.jpg werd geboren omstreeks 1275 te Brugge

 

Willemar Lauwereyns van Diepenhede was geboren omstreeks 1248 als zoon van Odin Lauwereyns en Johanna Van Velthuysen. Hij was ridder en heer van Diepenhede zoals zijn vader. Willemar heeft zijn vader niet gekend, want deze vertrok kort na Willemars geboorte met graaf Gwijde van Dampierre op kruistocht. Zijn vader overleed op de terugweg in Cyprus en zou nooit terugkeren naar zijn gezin in Brugge. Omstreeks 1275 huwde Willemar te Brugge met Katrien Van Vosmaer, een dochter van ridder Robert Van Vosmaer1. Katrien werd geboren te Zeeland, NL. Dit koppel kreeg één zoon geboren omstreeks 1275 te Brugge. Willemar voerde hetzelfde wapen als zijn vader, met drie zwanen. Hij overleed in 1292.

Chatillon Dampierre AZAfbeelding Jacques de Saint-Pol, door Filips de Schone benoemd op 18 mei 1300, een lieutenant du roi, in feite een gouverneur die in de naam van de koning Vlaanderen rechtstreeks zou besturen. De keuze viel op Jacques de Saint-Pol, beter gekend als Jacques de Châtillon, een oom van de koningin, Johanna van Navarra.

Een broer van Willemar, Jan, werd de stamouder van een andere tak van de familie. Bij de eerstvolgende generaties zijn de huwelijken van Jans nazaten niet volledig gedocumenteerd, al  hebben we wel een gedeeltelijk idee van de genealogie2.

 Van het leven van Willemar Lauwereyns is niet veel bekend, maar we weten heel wat over de omstandigheden waarin het gezin leefde te Brugge. Brugge was omstreeks 1275 een belangrijk handelscentrum in Noord-Europa, en Vlaanderen was toen één van de meest verstedelijkte gebieden van Europa. Vanuit Brugge werd het Vlaamse laken, kwalitatief hoogstaande wollen stof, over heel Europa uitgevoerd. In deze eeuw telde Brugge tussen de 40.000 en de 45.000 inwoners. In de stad werd niet alleen het al vermelde Vlaamse laken geproduceerd, ook allerlei andere (kunst)ambachten konden er zich ontplooien. De inkomensverschillen tussen de volksklasse (de "ambachtslieden") en de kooplieden (de "patriciërs") waren zeer groot, niettegenstaande de talrijke middenstand. De "Grote Moerlemaaie", een gewelddadige opstand in 1280, werd hardhandig onderdrukt. Brugge voerde in deze periode een eigen koers. Er was afhankelijkheid van Frankrijk, maar economisch gezien was de afhankelijkheid van Engeland door de wol- en lakenhandel veel sterker. Toen Frankrijk in 1294 een oorlog begon tegen Engeland, kozen de Vlamingen de kant van Engeland blijkens een verdrag van 7 januari 1297. Frankrijk viel vervolgens het graafschap Vlaanderen binnen en veroverde één voor één de Vlaamse steden. Engelse troepenversterkingen mochten niet baten. De Engelsen trokken zich terug in maart 1298 ondanks het verdrag van de Engelse koning Edward I met Gwijde van Dampierre, de graaf van Vlaanderen. Deze laatste werd kort daarna met zijn oudste zoon en een aantal ridders gevangen gezet door de Fransen.

https://marcusampe.files.wordpress.com/2014/07/brugse-metten-1302.jpgAfbeelding: middeleeuwse prent van de zgn. "Brugse metten"en onder afbeelding van de "Slag van de Guldensporen" in de Grandes Chroniques de France, 14e eeuw.

De Franse landvoogd Jacques de Châtillon bestuurde van toen af het graafschap Vlaanderen, en in mei 1301 hield de Franse koning een 'Blijde Intrede' in de Vlaamse steden. Dit leidde tot afschaffing van belastingen, maar enkel de Fransgezinde patriciërs deden daar voordeel mee en de ambachtslieden, aanhangers van de graaf van Vlaanderen, kwamen in opstand. Eén van hun leiders, Pieter Coninck, een populaire wever uit Brugge, werd daarbij eerst verbannen uit de stad als oproerkraaier. Een opstand volgde en de Bruggelingen bestormden eind april 1302 het kasteel van Sijsele en het kasteel van Male, waar het garnizoen en de bewoners werden vermoord. De Fransgezinden moesten de stad ontvluchten. Een gewapend escorte dat de Châtillon begeleidde, trok Brugge binnen op 17 mei maar werd in de nacht van 18 mei 1302 afgeslacht tijdens de zogenaamde "Brugse metten"3. De landvoogd kon op het nippertje ontkomen. Een nieuw gewapend treffen kon niet uitblijven.

In juni 1302 vertrok een Frans leger van 8500 man richting Vlaanderen. Nabij Kortrijk kwam het tot een treffen met een Vlaams leger van 9000 manschappen waarvan 400 edelen te paard, op 11 juli 1302. In de opstanden van 1302 koos de volksklasse de kant van de Vlaamse graaf tegen de koning van Frankrijk en de bezittende klasse. De strijd achter de Grote beek en de Groeninge beek in Kortrijk, waarin Brugge een vooraanstaande rol speelde, leverde een overwinning op voor de ambachtslieden en de Vlaamse graaf in de bekende "Guldensporenslag".

Willemar Lauwereyns kon geen rol van betekenis spelen in het strijdtoneel, want hij overleed in 1292. Wij vermoeden dat zijn zoon dit wel zou doen, dat deze Simon heette, en zijn familienaam als Lauwaerts4 werd vermeld in de hoedanigheid van grafelijk baljuw5 van de stad Brugge6 in dienst van de Vlaamse graaf Gwijde van Dampierre. In deze periode was naar wij vermoeden zijn nonkel Jan "Lauwaert" koninklijk baljuw te Gent in dienst van de Franse koning Filips De Schone7.

"Vervlaamsing" van de familienaam?

Nieuwe schrijfvarianten als Lauwaerts, Lauwaers en Lauwers komen vanaf deze periode voor in Oost-, West- en Frans-Vlaanderen, en ze bleven ook als zodanig bewaard in sommige takken van de familie. Dit waren allicht meer "Vlaamsklinkende" varianten die fonetisch in de streektaal tot de dag van vandaag nog uitgesproken worden als "Lauwerts" en "Lauwers".

De (eerdere) schrijfvarianten als Lauwrens, Lauwerens en Lauwereyns, klonken fonetisch erg zoals het Engelse 'Lawrence' en dat lag gevoelig in deze turbulente periode. Frankrijk voerde immers oorlog met Engeland en de grafelijke gewesten waren hierin een speelbal.  Vlamingen hadden bovendien verschillende belangen afhankelijk van hun sociale positie, en dat zowel fiscaal als economisch, en het ging er soms gewelddadig aan toe.

Voetnoten (vervolg)

4 Lauwaerts, Lauwaers en Lauwers waren meer "Vlaamsklinkende" varianten die fonetisch in de streektaal tot de dag van vandaag nog uitgesproken worden als "Lauwerts" en "Lauwers". Deze schrijfvarianten kom vanaf deze periode voor in Oost-, West- en Frans-Vlaanderen, en ze bleven ook als zodanig bewaard in sommige takken van de familie. De (vroegere) schrijfvarianten als Lauwrens, Lauwerens en Lauwereyns, klonken fonetisch gelijkaardig als het Engelse 'Lawrence' en dat lag gevoelig in deze turbulente periode. Frankrijk voerde immers oorlog met Engeland en de grafelijke gewesten waren hierin een speelbal.  Vlamingen hadden bovendien verschillende belangen afhankelijk van hun sociale positie, en dat zowel fiscaal als economisch, en het ging er soms gewelddadig aan toe. Uit 1276 stamt de oudste ons bekende schrijfwijze "Lauwers". Het ging om Boudewijn 'Baudouin' Lauwers vermeld de 'Dictionaire des noms de familles en Wallonie et à Bruxelles'. De oudste ons bekende schrijfwijze "Laurens" stamt uit 1260-1290, bij de vermelding van Gielis 'Egidius' Laurens te Steenhuffel in het hertogdom Brabant, thans een deelgemeente van Londerzeel.

5 Baljuw was de benaming voor de ambtenaar die de vorst vertegenwoordigde in de steden en in landelijke gebieden. Zijn ontstaan gaat terug op de Franse koning Filips II August die hen voor het eerst aanstelde. De benaming werd hoofdzakelijk in Vlaanderen, Henegouwen, Holland en Zeeland, en in Noord-Frankrijk gebruikt. In andere noordelijke gewesten voerden soortgelijke functionarissen de titel van drost, drossaard (Brabant), amman (Brussel), meier (Leuven, Asse) en schout (Antwerpen, 's-Hertogenbosch, Turnhout). Het woord baljuw (Frans bailli, Engels bailiff) is, via het Oudfranse baillif, afgeleid van het (middeleeuws) Latijnse baillivus of bajulivus = persoon belast met bestuursfunctie, op zijn beurt afgeleid van bajulare = torsen, dragen. 

6 Op 1 april 1288 vermeldde een "regest" op de oorkonden van 1089-1300 ene Simon Lauwaert. Simon was grafelijk baljuw van de stad Brugge, en moest samen met de ridders Rogier van Ghistele (Gistel) en Wouter van Cokelare, en met Gillis van der Beerst als scheidsrechters voor de graaf van Vlaanderen uitspraak doen in een geschil tussen de stad Brugge en de sluismeesters van de wateringen van Hegensluis en Reinhervliete, over het herstellen van twee bruggen in de nabijheid van de Sinte-Clara abdij te Brugge. Dit vond plaats de vrijdag vóór Palmenzondag of "svrindaghs voer Palmesondach anno Domini milesime ducentesimo LXXX octavo". Simon was naar verluid ook grafelijk baljuw te Veurne, Gent, Kassel en Aalst.

7 Jan Lauwaert probeerde  begin 1302 een oproer te bedwingen in Gent nadat de Gentse magistraten in opdracht van de koning een onpopulaire belasting, de bierassisen, opnieuw wilden heffen. Dit gebeurde met toestemming van Jacques de Châtillon. De patriciërs en Jan Lauwaert werden het Gravenkasteel gedreven en moesten bij het buitenkomen spitsroeden lopen. De Gentse volksklasse sloot vervolgens een verbond met het Brugse gemeen, dat intussen onder de leiding van Pieter De Coninck het verzet in Vlaanderen organiseerde. Een soortgelijke opstand in Brugge in juli 1301 was minder succesvol geweest. In Gent schreven de ‘bonnes gens du commun de la ville de Gand’ een brief aan Jacques de Châtillon waarin ze beloofden trouw te blijven aan de koning, al eisten ze dat de schepenen die de assisen (belasting) hadden ingevoerd nadat de koning die eerder had afgeschaft, ten eeuwige dage zouden uitgesloten worden uit de magistratuur.

8  zie voetnoot 5.

 

 

 

1288 - Simon en Jan Lauwaert, baljuws te Brugge en te Gent

Het was Maurice Thorré, een verdienstelijk heemkundige en genealoog uit West-Vlaanderen, die mij attent maakte op de verwantschap tussen familienamen als Lauwaerd, Lauwaert, Lauwaerts, Lauwaers en Lauwers. Hij documenteerde dit bovendien via een omstandig archief van vindplaatsen in West-Vlaanderen vanaf de 14e eeuw.

 

Op 1 april 1288 vermeldde een "regest" op de oorkonden van 1089-1300 Simon Lauwaert. Met Lauwaerd en Lauwaers was dit een schrijfvariant van Lauwers in deze periode in Oost-, West- en Frans-Vlaanderen, hoewel de familienaam ook als zodanig bewaard bleef. Simon Lauwaert was toen grafelijk baljuw8 van de stad Brugge, en moest samen met de ridders Rogier van Ghistele (Gistel) en Wouter van Cokelare, en met Gillis van der Beerst als scheidsrechters door de graaf van Vlaanderen uitspraak doen in een geschil tussen de stad Brugge en de sluismeesters van de wateringen van Hegensluis en Reinhervliete, over het herstellen van twee bruggen in de nabijheid van de Sinte-Clara abdij te Brugge. Wij vermoeden dat het hier om Simon Lauwereyns van Diepenhede ging, die in de woelige periode van het Frans-Engels conflict een familienaam variant hanteerde (zie verder).

http://assets.catawiki.nl/assets/2016/1/26/3/3/5/335eacae-c435-11e5-9363-04996631ce45.jpghttp://assets.catawiki.nl/assets/2016/1/26/3/3/6/336a8b78-c435-11e5-842d-fcd240f976c8.jpgAfbeelding: Franse zilveren "Tourse" Groot 1285-1314 (voor-en achterzijde), geslagen onder "Philips IV de Schone"

Dit vond plaats de vrijdag vóór Palmenzondag of "svrindaghs voer Palmesondach anno Domini milesime ducentesimo LXXX octavo". De oudste vermelding van de naam Lauwers kwam voor in 1276 bij ene Bauduins Lauwers, terwijl de naam ook voorkwam in 12889. Simon Lauwaert was naar verluid grafelijk baljuw geweest te Veurne, Gent, Kassel en Aalst, behalve de meldingen te Brugge.

In deze periode was Jan Lauwaert koninklijk baljuw te Gent in dienst van de Franse koning Filips De Schone. Hij was baljuw in Gent en Veurne. De koningsgezinde loyauteit van de grafelijke baljuw Simon was omstreden, terwijl Jan als koninklijk baljuw in dienst van de Franse gouverneur Jacques de Saint-Pol werd vermeld in de aanloop van de opstand van 1302.

https://upload.wikimedia.org/wikipedia/commons/thumb/1/19/Goedendags_in_het_museum_Kortrijk_1302_9-01-2010_14-20-13.JPG/1920px-Goedendags_in_het_museum_Kortrijk_1302_9-01-2010_14-20-13.JPGAfbeelding: resten van "Goedendags" uit 1302 in het museum van Kortrijk.

Jan Lauwaert probeerde  begin 1302 een oproer te bedwingen in Gent nadat de Gentse magistraten in opdracht van de koning een onpopulaire belasting, de bierassisen, opnieuw wilden heffen. Dit gebeurde met toestemming van Jacques de Châtillon. De patriciërs en Jan Lauwaert werden het Gravenkasteel gedreven en moesten bij het buitenkomen spitsroeden lopen. De Gentse volksklasse sloot vervolgens een verbond met het Brugse gemeen, dat intussen onder de leiding van Pieter De Coninck het verzet in Vlaanderen organiseerde. Een soortgelijke opstand in Brugge in juli 1301 was minder succesvol geweest. In Gent schreven de ‘bonnes gens du commun de la ville de Gand’ een brief aan Jacques de Châtillon waarin ze beloofden trouw te blijven aan de koning, al eisten ze dat de schepenen die de assisen (belasting) hadden ingevoerd nadat de koning die eerder had afgeschaft, ten eeuwige dage zouden uitgesloten worden uit de magistratuur.

Simon Lauwereyns van Diepenhede was geboren omstreeks 1270 te Brugge als zoon van ridder Willemar Lauwereyns van Diepenhede en Katrien Van Vosmaer. Hij was net als zijn vader ridder en heer van Diepenhede en huwde omstreeks 1290 te Brugge met Mathilde van Alsemberghe, een dochter van schildknaap jonker Jean de Alsemberghe. Simon Lauwereyns overleed in 1310. Tijdens zijn leven vonden grote veranderingen plaats in Brugge en het graafschap Vlaanderen.

We vermoeden dat Simon Lauwereyns dezelfde persoon was als Simon Lauwaert, hoewel de Franse genealogie10 hem niet bij voornaam registreert, als “no nommé” of “niet genoemd”. Als baljuw van de stad Brugge in dienst van de Vlaamse graaf Gwijde van Dampierre, bevond Simon zich bij momenten in het vijandige kamp van de Fransen. Zijn familienaam werd in de woelige periode van strijd tussen de Vlamingen en de Franse koning ook genoteerd als Lauwaert, een naam die Vlaamser aandeed dan de, op dat moment Frans vijandige, Engels klinkende naam Lauwereyns (Lawrence). Jan "Lauwaert", die koninklijk baljuw was te Gent, had dezelfde familienaam als Simon en trad op in dienst van de Franse koning Filips IV De Schone.

https://upload.wikimedia.org/wikipedia/commons/thumb/2/2e/Blason_Flandres_double.svg/600px-Blason_Flandres_double.svg.pngDe Franse strijd om Vlaanderen

Nadat het graafschap Vlaanderen tussen 1300 en 1302 werd ingelijfd bij Frankrijk, en Gwijde van Dampierre en diens zoon Robert van Béthune waren gevangen genomen, volgden opstanden die uitmondden in de "Slag van de Guldensporen" op 11 juli 1302. Gwijde van Dampierre  richtte zich vervolgens op zijn oude rivaal Jan II van Avesnes, de graaf van Holland en van Henegouwen. Jan II van Avesnes had in de Guldensporenslag de zijde van de Franse koning gekozen. In februari 1303 werd het offensief tegen Henegouwen begonnen, en op 2 april dat jaar werd Lessen veroverd. De Vlamingen richtten een vloot op in Sluis onder het bevel van Gwijde van Namen, zoon van Gwijde de Dampierre,  die de rechten op Zeeland opeiste. Op 25 april ging Gwijde met 3000 Vlamingen en 800 Zeeuwen aan land bij Veere. Op 9 mei volgde de overgave van Middelburg door Willem van Avesnes en de Vlamingen veroverden Walcheren en de overige Zeeuwse eilanden. Enkel Zierikzee wist stand te houden. Bij Kassel trok een Vlaams leger naar Sint-Omaars, en vervolgens veroverde men Terwaan en het land van Doornik in augustus datzelfde jaar. Er volgde een wapenstilstand met de Franse koning, en deze hield stand tot juni 1304. In het voorjaar van 1304 was het bestand met Holland opgezegd door de Vlamingen en een nieuwe strijd barstte los.

Afbeelding: Reinier Grimaldi in 1290, de Franse admiraal die de strijd met de Vlaamse vloot in het voordeel van Filips IV beslechtte nabij Zierikzee.

Na aanvankelijke terreinwinst van de Vlamingen,inmiddels bijgestaan door Jan II van Brabant, trokken zij zich terug uit Holland. Eind  juni 1304 stak een Frans leger de zuidgrens over via Doornik, terwijl een Franse vloot onder leiding van Reinier Grimaldi11 de Hollanders ter hulp was gesneld. Gwijde van Namen werd in augustus 1304 gevangen genomen na een relatief korte zeeslag12 en de Franse koning eiste een week nadien ook de overwinning op na een veldslag bij Pevelenberg - al werd de uitslag daarvan betwist.

https://upload.wikimedia.org/wikipedia/commons/8/84/County_of_Flanders_%28topogaphy%29.pngAfbeelding: kaart van het Graafschap Vlaanderen aan het eind van de 14e eeuw. Frans-Vlaanderen werd geannexeerd bij Frankrijk in 1305.

Oorlogsmoe ondertekenden de strijdende partijen in 1305 het verdrag van Athis-sur-Orge. De inlijving van Vlaanderen werd ongedaan gemaakt, Robert van Béthune werd hersteld in zijn functie als graaf van Vlaanderen  en de stedelijke privileges werden bevestigd. Filips IV legde een omvangrijke boete op aan Vlaanderen en Frans-Vlaanderen werd alsnog geannexeerd bij Frankrijk (Rijsel, Dowaai en Orchies).

 

Voetnoten (vervolg)

9 Bron: Dictionaire des noms de familles en Wallonie et à Bruxelles.

10 Dictionnaire de la noblesse de France

11 Reinier Grimaldi (1267-1314) was aangesteld als admiraal van de Franse vloot. Hij was de eerste soevereine Grimaldi heerser van Monaco en later heer van Cagnes, waar hij in 1309 een burcht bouwde, de zgn. "Château Grimaldi". Het verhaal wil dat Francesco Grimaldi, met in zijn kielzog Reinier, vermomd als monnik het fort van Monaco op 8 januari 1297 was binnengeslopen en de bewaker had vermoord. Dit kwam neer op een verovering van het fort op de Genuanen. Reinier heerste vier jaar over Monaco en werd in 1304 aangesteld als admiraal van de Franse vloot. De overwinning op de Vlamingen leverde hem de titel heer van Cagnes op.

12 In de avond van 10 augustus 1304 woedde een korte zeeslag op de Gouwe tussen de Vlaamse-Zeelandse en de Frans-Hollandse vloot. De schepen werden belemmerd in hun manoeuvres door de verzanding van de rivier, en dat was in het voordeel van Gwijde van Namen omdat hij beschikte over kleine en wendbare schepen. Beide tegenstanders, Gwijde en Grimaldi, lieten hun grootste schepen aan elkaar binden. Gwijde voerde een branderaanval uit met twee brandende bootjes, maar het getij dreef deze terug naar het eigen kamp. Doordat de Franse schepen aan de grond liepen, leken de Vlamingen alsnog aan de winnende hand. Met de vloed konden de Franse schepen opnieuw deelnemen aan de strijd, en de kansen keerden in het voordeel van de Fransen en de Hollanders, ook al omdat de Vlaamse schepen van elkaar waren losgeraakt. Een spion, of mogelijk een Vlaamse verrader, zou hier de hand in hebben gehad. De schepen waren op drift geraakt, terwijl de Frans-Hollandse vloot in slagorde bleef. De Franse galeien beslechtten de strijd en Gwijde van Namen werd gevangen genomen op 11 augustus. Een week later vond een nieuwe confrontatie plaats bij Pevelenberg, de Franse koning werd bijna gevangen genomen en de uitslag bleef onbeslist. Bij de zeeslag beschikte Reinier Grimaldi naar verluid over 30 Franse en 8  Spaanse koggen en elf Genese galeien. In Schiedam was de vloot vervoegd door 5 Hollandse koggen. Gwijde van Namen beschikte over 11 Vlaamse koggen en 8 uit Bayonne (toen in Engelse handen), 6 grote schepen van Hanzeaten, een Zweeds schip en twee schepen met onbekende vlag. Mogelijk beschikte hij nog over 4 extra Vlaamse koggen 5 Spaanse schepen, naast een groot aantal kleinere schepen.

Genealogie Laurentii

Numquam solus incedes

 

 

Inhoud

Blog

Documenten

Foto's

Gezinnen

Stamboom

Startpagina

Thematisch

Verhalen

Verwante families

 

 

 

Voetnoten

 

1 "Vosmaer" zou een verwijzing zijn naar de plaats Oud-Vossemeer in de huidige gemeente Tholen in Zeeland. Oud-Vossemeer maakte eeuwen later deel uit van de heerlijkheid Oud- en Nieuw-Vossemeer en Vrijberghe. Het plaatsje Nieuw-Vossemeer werd pas in 1609 definitief drooggelegd nadat een eerste poging uit 1567 mislukte in 1583. Nieuw-Vossemeer maakte deel uit van de heerlijkheid tot 1809, toen Oud-Vossemeer en Nieuw-Vossemeer werden gescheiden. De plaatsen liggen thans respectievelijk in Zeeland en Noord-Brabant. Het Brabantse "Nieuw-Vossemeer" leverde de inspiratie voor de naam van het vakantiedomein "Vossemeren" in Lommel. In de 13e eeuw was "Oud-Vosmaer" een groot waddengebied met slikken, gorzen en aanwassen Zeeland en Brabant. Het werd oorspronkelijk gevormd door de stroom de Striene. De Striene die vermoedelijk ooit de hoofdstroom van de Schelde is geweest, liep van Strijenham, door Ee en Molenvliet over het gebied van het Vossemeer richting Steenbergen om door de latere Hoekse Waard uiteindelijk tegenover Rhoon in de Maas uit te monden. De toen bestaande gebieden ten westen van deze stroom, Scherpenisse, Westkerke, Poortvliet met Schoondorp, de eilanden Sint Maartensdijk en Stavenisse behoorden tot Zeeland ( het bisdom Utrecht). Het gebied van Schakerloo, Tholen en Vriezendijk (Oud Vossemeer) dat gedeeltelijk oostelijk van deze stroom lag, behoorde politiek en geografisch tot Brabant (het bisdom Luik). Dit stuk van Tholen zat nog vast aan het vasteland en omdat de ratio bij de bisschoppelijke indeling waarschijnlijk is geweest: de eilanden (Zeeland) aan Utrecht, het vasteland aan Luik, hebben Tholen en Schakerloo, Oud- en Nieuw-Vosserneer en Vrijberghe, tot 1559 bij de nieuwe bisschoppelijke indeling, aan Luik toebehoord. Kennelijk tot grote tevredenheid van deze uithoek van het diocees, gezien de vele protesten aan de nieuwe bisschop van Middelburg.  Op 23 februari 1213 maakte Godfried II van Breda bekend op welke wijze en op welke voorwaarden hij de halve scheepstol op de Striene en de Schelde alsook Schakerloo en Ossendrecht van hertog Hendrik I van Brabant in leen had ontvangen. Dit deel van Tholen was dan nog volledig Brabants. In 1220 trouwde graaf Willem I van Holland met Maria, de oudste dochter van Hendrik I, en weduwe van keizer Otto IV. Willem ontving, als een deel van de bruidsschat van zijn vrouw, de helft van Schakerloo in leen. Omstreeks deze tijd is de polder bedijkt, waarna o.a. als gevolg van een andere ligging van het 'wantij' de tol werd verplaatst naar de plaats waar de huidige stad Tholen ligt (dat zijn naam aan de tolheffing dankt). Willem I zou zelf deze bedijking zijn begonnen, daarbij geholpen door zijn Friese troepen die hem terzijde hadden gestaan bij het beleg van Damiate in 1219. Dit zou de verklaring kunnen zijn voor de naam Vriezendijkse moeren; de moeren langs de door de Friezen aangelegde dijk.

2 o.m. de Dictionnaire de la noblesse de France

3 "Voor Scilt en vrient" - De strijdleuze van de Vlamingen bij Brugse Metten werd 's avonds na de slag van 11 juli 1302 opgetekend door de kroniekschrijver Li Muisis. Hij vernam het relaas de avond van 11 juli van de doodsbange Fransen die voor de gesloten poorten van Doornik toestroomden. "Quod nullo modo esset credibele omnibus, qui non viderunt" noteerde hij: wie het niet zag, kan het niet geloven. Li Muisis, die getuige was geweest van de plundering van Doornik door de Vlamingen, stond aan de Franse kant. Hij was het Vlaams niet machtig. Een andere scribent noteerde de woorden in het manuscript.