Shield_VHC.jpg

 

 

 Verhalen - 1944 - Pieter Lauwers, valselijk beschuldigd van collaboratie

Via Wim Wintraeken, een Nederlands verzamelaar van militaria, stootten we op het gerechtelijk dossier van Pieter Lauwers, een onderwijzer en verzekeringsagent uit Puurs, die in 1944 werd beschuldigd van collaboratie. Op 4 september 1944 werd zijn woning aan de Kalfortsebaan geplunderd door een opgehitste menigte. De aantijgingen zouden later vals blijken te zijn, maar laster en roddels hadden meedogenloos hun werk gedaan. Het gezin verloor have en goed, moest onderdak zoeken in Antwerpen, en vestigde zich later in Bonheiden. Het zou tot 1948 duren alvorens Pieter Lauwers volledig buiten vervolging werd gesteld, zoals blijkt eerder door de halstarrigheid van een onderzoeksrechter die zijn ongelijk niet wilde toegeven.

Mijn broer Raf ging er achteraan, en algauw kwam een stukje geschiedenis te voorschijn dat werd verwerkt in een nieuw verhaal.

Het publiceren van het verhaal lokte alvast enkele reacties uit, onder meer van Wim: "Ik heb met veel belangstelling het relaas gelezen, en ik ben blij dat ik contact met je heb opgenomen. Het is op deze manier voor een veel groter publiek toegankelijk, en Pieter wordt hierdoor ook publiekelijk een beetje recht gedaan. Ik moet zeggen dat ik echt onder de indruk was van het terdegen werk dat je verzet hebt om dit relaas op de site te plaatsen", en een felicitatie van Koen Van Den Heuvel, de huidige burgemeester van Puurs, een oude bekende. Voor Maria Lauwens en Willy De Roover, die in het verleden al heel wat bijdroegen aan onze stamlijn "van Leest", was het aanleiding om extra informatie over de verwante broers Vivijs beschikbaar te stellen: "Over de Zwarte hand weten we veel: onze oudste schoonbroer Ludovicus (roepnaam Louis) Vivijs (echtgenoot van Julia Lauwens) was lid en heeft vier jaren in verscheidene concentratiekampen verbleven. Hij is nu 83 jaar oud. Zijn broer Gustaaf Vivijs was mede-oprichter en heeft met samenwerking van Louis, direct na de oorlog een boek geschreven, later in nieuwe vorm gegoten: "Onder Duitse knoet". Zij hebben allebei geluk gehad dat ze terug kunnen komen zijn, maar heel veel van hun vrienden hebben dat geluk niet gekend.Het laatste boek zelf werd uitgegeven bij DE CUYPER ,toen van Dendermonde ,maar nu is dat in Zele. De drukkerij-uitgeverij heeft met hun reorganisatie en verhuis alle overblijvende exemplaren weggedaan."Beide broers waren lid van de vermelde weerstandsgroep "De Zwarte Hand". Bleek dat ook uitgeverij EPO een boekje over de weerstandsgroep publiceerde, online bestelbaar.

 

Pieter Lauwers, onderwijzer en verzekeringsagent te Puurs, werd op het einde van de tweede wereldoorlog beschuldigd van collaboratie met de Duitse bezetter. Op 4 september 1944 werd zijn woning aan de Kalfortsebaan geplunderd door een opgehitste menigte. De aantijgingen zouden later vals blijken te zijn, maar laster en roddels hadden meedogenloos hun werk gedaan. Het gezin verloor have en goed, moest onderdak zoeken in Antwerpen, en vestigde zich later in Bonheiden. 

Het zou tot 1948 duren alvorens Pieter Lauwers volledig buiten vervolging werd gesteld, zoals blijkt eerder door de halstarrigheid van een onderzoeksrechter die zijn ongelijk niet wilde toegeven.

http://www.laurentii.be/images/1941zwartehand.jpgPieter Lauwers werd geboren op 1 juli 1896 te Oppuurs. Hij was meer dan 20 jaar onderwijzer of "meester" te Puurs in de officiële school (gemeenschapsschool), kreeg te maken met de schoolstrijd tussen de officiële en christelijke scholen1, en werd in bijberoep verzekeringsagent te Puurs, samen met zijn echtgenote Martha Muyshondt. 

Het gezin had twee kinderen: een dochter Renée, geboren op 13 september 1923 te Puurs, en een zoon Willy, geboren op 6 februari 1926 te Puurs.

Afbeelding: uitgave ter nagedachtenis van gearresteerde leden van de verzetsgroep "De Zwarte Hand" die op 7 augustus 1943 door de Duitsers werden gefusilleerd.  Deze moedige, jonge, en misschien wat roekeloze verzetstrijders hadden eigenlijk niets te maken met wat Pieter Lauwers en zijn familie overkwam. De meeste leden hadden hun patriotisme met de dood moeten bekopen lang voor wat zich in Puurs na de oorlog afspeelde. [Zie ook Lauwens/Lauwers en verwanten in het verzet in 1940-1945 en het verhaal van de aangetrouwde broers Vivijs, beiden lid van 'de Zwarte Hand'.]

4 september 1944 - De "afrekening" te Puurs

Op 4 september 1944 werd Antwerpen bevrijd door het Britse Tweede Leger. Er waren op dat moment nog Duitse troepen langs de Scheldemonding. Toen die dag  de Duitse troepen begonnen weg te trekken uit de gemeente Puurs, verzamelde zich een menigte van honderd tot honderdvijftig mensen die plunderingen en verwoestingen aanrichtte bij dorpsgenoten die verdacht werden van samenwerking met de bezetter. Ook het gezin Lauwers-Muyshondt zou hier niet aan ontsnappen. De plunderingen begonnen bij de familie Peleman in de Hoogstraat. Ook Livien Peeters, een hovenier op het Hooiveld en Jos De Clercq, landbouwer, moesten het ontgelden, alsook het Fort van Liezele, waar de Duitsers eetwaren hadden opgeslagen. Als aanvoerders2 werden enkele dorpsgenoten, waaronder de leider van de kajotters, vermeld. De plundering van het Fort van Liezele stond enigszins los van de plundering van persoonlijke eigendommen, naar verluid op aanduiding van volksvertegenwoordiger Edgard Maes, een bestuurslid van de Witte Brigade.

Toen de menigte het huis van Pieter bestormde, sloten zijn vrouw en kinderen zich op in de voorste slaapkamer. Zij moesten machteloos toehoren hoe de deuren werden ingebeukt en de ramen werden ingeslagen. Even later hoorden zij stappen op de trap. Er werd op de deur gebeukt en één van de inbrekers dreigde te schieten indien de deur niet werd geopend. Pieters vrouw opende de deur, en een man "met verwilderd uitzicht, slordig haar en baard, gewapend met een revolver" trad binnen, geflankeerd door Sooike de pompier. Pieter Lauwers was op dat moment in Brussel voor zijn verzekeringsbedrijf. De gezinsleden werden in een auto geduwd waarop vier gewapende mannen van de Witte Brigade post hadden gevat. De auto voerde hen vervolgens naar het fort van Breendonk. Intussen werd het huis geplunderd. 

Meubelen werden met hun inhoud door de vensters op straat gegooid. Op dat moment kwam een auto met terugtrekkennde Duitsers voorbij. Ze voelden zich blijkbaar bedreigd, een soldaat loste een schot en de dertienjarige Dora Schokkaert werd gedood. Het kon de plunderaars er niet van weerhouden om kleding, beddegoed en al wat draagbaar was te stelen. Een zetel die vanuit de achterkamer werd gegooid, ging door een glazen koepel, waarbij verschillende inbrekers door glasscherven werden gewond. Een buur, Karel De Smedt, zou nadien getuigen dat de hele nacht door in en uit het huis werd gelopen. De aanvoerders waren ene Frans Hofmans met zijn zonen, gewapend met voorhamer en bijl, Remi De Voocht, en Gaston De Gendt, de leider van de kajotters. Zeker een dertigtal personen waren betrokken bij de diefstallen.

De meubelen bleven tot 's anderdaags op straat liggen. Een Brits officier beval toen om alles terug naar binnen te brengen, een taak die werklieden van de gemeente ter harte moesten nemen. Het gerechtelijk onderzoek nadien zou een aantal van de plunderaars identificeren. Verschillende gestolen goederen werden later bij opsporingen door de Puurse gendarmerie teruggevonden: beddelakens en kleding, schoenen, een volledig bed met wollen matrassen, een vlag met de Vlaamse Leeuw, een encyclopedie van Winkler de Prins, handtassen en juwelen, 9 Lombaardse legkippen met hun haan. Toch waren er ook buren die voorwerpen wisten te redden. Veearts Gust Seegers nam naar verluid kostbare boeken van het gezin in bewaring, en op het gemeentehuis werden uit diverse hoek voorwerpen teruggebracht, zoals een Olympia schrijfmachine, bureelpapieren en andere documenten, en visgerief (Pieter Lauwers was een fervent visser). 

Het moeder en kinderen werden drie maanden geïnterneerd in het Fort van Breendonk, terwijl Pieter Lauwers 17 maanden in de gevangenis werd opgesloten om op 31 juli 1946 in voorlopige vrijheid te worden gesteld. Op 11 oktober 1944 werd Martha gescheiden van haar kinderen en naar de Dossinkazerne van Mechelen gevoerd. De kinderen werden naar huis gestuurd, en daar gelukkig opgevangen door het gezin van de vrederechter Paul Van Nuffel, die hen tijdelijk in huis nam. Renée en Martha kwamen vervolgens in Antwerpen terecht bij mejuffrouw Gevaert in de Thomasstraat, en dan herenigd met zoon Willy bij mejuffrouw Bisdorf in de Verbondstraat. Het gezin werd herenigd en woonde even in de Olijftakstraat, de Montignystraat, om dan te verhuizen naar de "Villa Hubert" aan de Rijmenamse steenweg te Bonheiden. Behalve de plunderingen en de vrijheidsberoving, leed het gezin al die tijd inkomenverlies. Tijdens de internering van het gezin, en de jaren die volgden, zou het huis verder worden geplunderd. Het fruit werd weggehaald in 1944 en 1945, het houtwerk van de deuren, ramen en tuinbanken werd gestolen en dies meer. Martha Muyshondt liet na de oorlog nog bestek maken bij verschillende aannemers om herstellingen uit te voeren, maar dat bleek duur uit te vallen, zoals verwoord in een raming van architect De Bruyn uit Oppuurs op 22 januari 1945: "Om werkelijk de waarheid te zeggen moet ik verklaren dat het er werkelijk in droevigen staat uitziet en een raming der werkelijke schade voor het oogenblik zeer moeilijk is."

De getuigenis van Benedict Doms

 

Benedict Doms was oudstrijder van 1914-1918 en gepensioneerd schoolhoofd. Als expert betrokken bij het onderzoek, richtte hij op 28 maart 1945 een brief aan krijgsauditeur Verhaegen te Mechelen ter verdediging van Pieter Lauwers. Hij achtte het zijn plicht te reageren, nadat hij ambtshalve getuige was geweest bij de eerste vaststelling van de verwoesting aan de Kalfortbaan 13, de woning van het gezin Lauwers-Muyshondt.

Benedict besprak de gebeurtenissen met de gemeentelijke overheid. Verschillende getuigenissen kwamen daarbij aan bod. De deurwaarder beschreef Pieter als "een brave ronde man, maar Mevrouw was secretaresse bij Winterhulp en heeft zich hatelijk aangesteld." Een politieagent getuigde: "zulke wandaden zijn niet goed te keuren maar wij hebben het niet kunnen beletten. De commissaris stond er bij en heeft zelfs een schot gelost. Men beschuldigt Mijnheer van 't een en 't ander maar dit heeft hij niet verdiend." Ook Witte brigadisten hadden de plundering willen voorkomen, maar stonden onmachtig tegen de menigte. Doms stelde vast dat er afgunst was ten aanzien van de familie omdat "het gezin op een te rijken voet leefde en heel afgezonderd van de gebuurte", maar dat niemand hen eigenlijk beschuldigde van "met den vijand te zijn omgegaan of openlijk aan politiek te hebben gedaan". Wel deden geruchten de ronde van een verklikking, onder meer bij vrouwen van opgepakte verzetsleden, maar niemand wist het met zekerheid. Uiteindelijk kwam Doms terecht bij een plaatselijke commandant van de weerstandsbeweging die "vol verwaandheid" sprak over "den grooten kuisch die hier onder zijn leiding heeft plaatsgehad", en die zich de rol van openbare aanklager toeëigende en beweerde "dat Pieter Lauwers hier nooit meer levend zou terugkeren"

Benedict, vergezeld van twee experten, had heel wat bedenkingen bij deze aantijgingen ("Den inhoud en den toon van dit gesprek en het uitzicht van den spreker deden mij diep nadenken."). Hij was tot de conclusie gekomen dat "met zoo een laagstaand en dweepzuchtig leider" de "groofste dwalingen onvermijdelijk zijn". Benedict had het misprijzend over het feit dat deze persoon de rol van onderzoeksrechter had gespeeld, en dat in niet mis te verstane verwoordingen: "het werk van een onverantwoordelijke", "De kletszucht en overdrijvingen van het ordinair volk neemt hij voor klinkende munt.

Doms deed verder onderzoek. Hij bedacht daarbij dat Pieter en zijn vrouw bij de besmeuring van hun huis in 1941 (zie verder) beter emmer en dweil hadden genomen, en dat zo enige wrijving met buren en het gemeentebestuur hadden kunnen voorkomen worden. In een sfeer van "leugen, laster, valsche vermoedens en beschuldigingen" werden al tijdens de oorlog plannen gesmeed om het gezin "te treffen". De plaatselijke commandant, een bakker, had de gemoederen moeten bedaren, echte bewijzen verzamelen en een afstraffing moeten vermijden. De plaatselijke melkboer, wiens zoon was aangehouden, had zich daar echter bij aangesloten en zou uiteindelijk een van de aanvoerders van de plundering zijn. Benedict Doms stelde vast dat het gezin Lauwers "in een snel tempo, de meest dramatische omstandigheden" moest doorstaan. De bakker-commandant zou bovendien mevrouw Lauwers en de kinderen in het Fort van Breendonk aan strenge verhoren hebben (blijven) onderwerpen, hoewel hij geen enkel bewijs kon aandragen. Het was bij deze bakker-commandant dat de gestolen schrijfmachine van Pieter Lauwers werd teruggevonden, en Benedict merkte daarbij schamper op "Hoe spijtig dat de door hem gestolen schrijfmachine niet wil spreken." Zijn conclusie: "En zoo is het mogelijk geweest dat een gezin, wiens burgerwaarde, moraliteit en vaderlandsliefde torenhoog verheven staat boven die van hun bekladders, voorloopig het onderspit moet delven en grenzeloos mogen boeten voor fouten die onbenulligheden toeschijnen, nevens de misdrijven door hun belagers zelf verricht." Uit de eigen ondervragingen van het gezin van Pieter, moest Benedict concluderen dat "die menschen geen verraad hebben gepleegd en er geen zouden kunnen plegen." Hij had zelfs enige sympathie opgevat voor de slachtoffers: "Het hoogste geluk zoeken zij in den arbeid met op eerlijke wijze verzekeringen af te sluiten. Zij worden er alom voor gewaardeerd. Verders vindt hij zijn eenigste gemak in het rooken, het visschen en het huisselijk genot. Haar eenigste ideaal is het hooger opvoeren en ontwikkelen van haar modelkinderen."

Reninca, dochter Renée Lauwers, trekt van leer tegen de "Nachtridders"

Dochter Renée Lauwers werd een verdienstelijke schrijfster, die enkele keren van leer trok tegen de "nachtridders" die zich bezig hielden met het schilderen van hakenkruisen op huizen. Zo schreef zij over gebeurtenissen in Ronse, waarbij de huizen van onschuldige burgers valselijk werden beklad door "weerstanders" van bedenkelijk allooi. Renée bleef ook niet gespaard. In het dossier is er correspondentie van de gemeente Bonheiden waarin moeilijk werd gedaan over het toekennen van een uitreisvisum voor Rome in november 1947. Als verblijfsadres werd Rijmenantse steenweg 132 vermeld.

Renée Lauwers publiceerde verschillende dichtbundels onder het pseudoniem "Reninca". O.m. "Wassend getij" en "Zaad in den wind" werden al in 1945 gepubliceerd. In 1947 verscheen "Brandend heden", in 1949 "Een lied der mensheid", in 1950 "Adem der aarde", in 1957 "Missa est", in 1958 "Bloemen voor nieuwjaar" en in 1960 "Beschavingen, wij rapen u als schelpen". Haar pseudoniem ontleende zij aan "renata in caritate", wat "herboren in liefde" betekent. Zij wordt beschreven als een zeer begaafde rooms-katholieke mystieke dichteres. Aphorismen, gedachten en bespiegelingen kentekenden haar werk. Soms kwam zij vlaams-nationalistisch uit de hoek, bijvoorbeeld in een hekeldicht over de Vlaamse verdeeldheid en lafheid van de Vlamingen en Vlaamsgezinden, geschreven in 1949: "Daar is geen klank, daar is geen kleur - aan dit verward en hol gezeur - dat uit uw huis verloren dwaalt, - ik wéét het niet, waarom gij maalt! - Gij zijt niet trots, gij zijt niet schoon - gij zijt geen zelfbewuste zoon, - want razen doet g' en legt de kaart - over een vrouw die niet meer baart! - Is Vlaandren dood, gij deedt de moord, - gij waart niet één, gij hadt geen woord... - Ach stik in uw lamlendigheid, - of wees een man, die Vlaming zijt!"

Ook de hoger vermelde Bert Peleman, geboren in 1915 uit een andere familie betrokken in de "afrekening" te Puurs, werd een bekend schrijver en dichter.

 

http://www.laurentii.be/images/PuursKalfort.jpgWat werd Pieter eigenlijk ten laste gelegd? 

De directe aanleiding was een gerucht dat de ronde deed als zou Pieter Lauwers een groep van het plaatselijke verzet "De Zwarte Hand" hebben aangegeven bij de Duitse bezetters via een 'verklikkingsbrief'4. De roddel ontstond al kort na de arrestatie van enkele verzetsleden in oktober 1941, en het verhaal ging een eigen leven leiden. Het feit dat Pieters vrouw in overleg ging met de Duitsers om de Winterhulp te organiseren, leidde mee tot tot speculatie. Later in het onderzoek zou blijken dat de Gestapo al vóór de zogenaamde (overigens nooit gevonden) verklikkerbrief op de hoogte was van de verzetsgroep, en dat gemene roddels en laster bewust werden gevoed door dorpsgenoten die het niet zo begrepen hadden op het gezin van Pieter Lauwers5. Uit de gerechtelijke correspondentie blijkt ook dat de aanklager al snel op de hoogte was van het feit dat de beschuldigingen onterecht waren6, maar jaren aarzelde om zijn ongelijk toe te geven. De betichting van verklikking steunde volgens het gerechtelijk dossier "op een onbewezen hypothese, en en in combinatie van feiten die geen verband hadden met elkaar". 

juli 1941 - Het huis van Lauwers-Muyshondt wordt besmeurd

In de nacht van 19 op 20 juli 1941 werd de woning van Pieter Lauwers besmeurd met uitwerpselen en witkalk. Opschriften als "lafaart" en "verrader" werden aangebracht alsook "V"-letters10. Dit gebeurde overigens ook op de woningen van andere comitéleden van Winterhulp, bij dokter Jos Slachmuylders en bij Victor Peleman. De politiecommissaris van Puurs kwam Pieter vervolgens aanmanen om de besmeuring te verwijderen en steunde zich daarbij op een Duitse verordening. Pieter Lauwers zette toen kwaad bloed bij de plaatselijke overheid omdat hij "als overtuigd Belgicist4 geen gehoor wilde geven aan de bevelen die van de Duitsers kwamen". Hij deed beroep op een wet die de gemeente verplichtte op haar kosten schade die aangericht wordt aan de woningen van haar burgers te herstellen. De gemeente weigerde dit te doen en een juridisch getouwtrek begon. Pieter Lauwers toonde zich halstarrig in zijn verzet om zelf de besmeuringen te verwijderen7. Hij nam advocaat Muys onder de arm, al jarenlang zijn advocaat, maar inmiddels gewestleider van het V.N.V.. Muys spoorde Pieter Lauwers aan zich tot de Duitsers te wenden, "omdat het Belgisch gerecht veel de laks was". Pieter deed dit echter niet, en wendde zich tot een andere advocaat, Ubaghs te Brussel, die hem ook hielp bij verzekeringszaken. Via Ubaghs kwam de verdediging terecht bij advocaat Peereboom, die ook zetelde in het Provinciaal Comité van Winterhulp. De Duitsers hadden het besmeurde huis intussen ook al opgemerkt en vorderden de reiniging, maar Pieter bleef weigeren. De gebeurtenissen trokken heel wat kijklustige wandelaars aan, ook van buiten de gemeente, die zich de zondag daarop kwamen vergewissen.

Er was de melding dat Pieter Lauwers enkele keren naar een vergadering van het plaatselijk VNV zou zijn geweest. Hij was echter geen lid geworden en hoewel eerder politiek afzijdig, was toch bekend dat hij anti-nazi was8. Pieter Lauwers concentreerde zich naar eigen zeggen op zijn werk. Behalve zijn gezin, onder meer de hogeschool studies van zijn kinderen, stond hij ook in voor zijn 84-jarige moeder die een kamer had in het rustoord De Nayer te Willebroek.

Toen begin 1941 een plaatselijke afdeling van Winterhulp werd opgericht, werd mevrouw Lauwers secretaresse. Voorzitter was dokter Jos Slachmuylders, ondervoorzitter Richard Philips (tot hij eind 1941 oorlogsburgemeester werd, een ambt dat hij tot de aanstelling van Robert Maes in 1944 waarnam), bestuursleden waren onder meer Frans Kerremans (zie ook verhaal interbellum), Weyns, de voorzitter van de 'Commissie Openbare Onderstand'9, rentenier Verbraken, en Livien Peeters, een gemeenteraadslid van het VNV. Frans Kerremans, Verbraken, Weyns en de voormalige onderpastoor, thans deken, Heylen, gingen uit het bestuur en startten een campagne tégen Winterhulp die zij als Duitse instelling of "Hitlerhulp" bestempelden. E.H. Heylen zag het initiatief bovendien als een concurrent voor het plaatselijke Sint-Vincentiusgenootschap, al was deze genootschap vooral gericht op 'erkende katholieken'. Ondanks de onenigheid, besloten dokter Slachmuylders, de VNV-burgemeester Philips en mevrouw Lauwers alsnog het werk voort te zetten. Als beloning kregen de medewerkers vaak te maken met besmeuring van hun huis met hakenkruisen en dergelijke. Nochtans was Winterhulp onontbeerlijk voor heel wat dorpsgenoten, zoals ook bleek uit de getuigenis van weduwe Louis Pepermans, een kroostrijk gezin uit de Kerstraat. De weduwe, bijgenaamd "Lotsche", plaatste de kerkstoelen in de kerk. Deze vrouw mocht volgens haar verklaring "van mijnheer de Deken" geen hulp aanvaarden. Pas bij een herderlijk schrijven van kardinaal Van Roey kort daarna, ten voordele van het initiatief, zou de tegenstand beginnen wegebben. In 1941, kort na de Duitse inval, lag Winterhulp evenwel nog politiek gevoelig. 

Het betwiste bezoek aan de Duitse majoor Schmidt

Toen het plaatselijk comité in juli 1941 een liefdadigheidsbal wilde organiseren, moesten zij zich wenden tot de plaatselijke Duitse commandant majoor Schmidt, gezien er een verbod gold op bals. Een gepland bezoek op 21 juli, waaraan Pieter zou deelnemen met Richard Philips en Bert Peleman (die Duits sprak), viel enigszins ongelukkigerwijze qua timing samen met de besmeuring van Pieters huis. Pieter was er overigens niet bij want moest die dag naar Brussel voor een afspraak met de hoger vermelde advocaat Peereboom. Het geplande bezoek aan de Duitse commandant, leidde tot kwaadsprekerij als zou Pieter Lauwers zich tot de Duitsers hebben gewend; terwijl contradictorisch zijn bezoek aan Peereboom aantoonde dat hij zich tot het Belgisch gerecht had gewend. Pieter Lauwers zou daardoor overigens niet deelnemen aan het gesprek met de Duitse commandant. Bij het later gerechtelijk onderzoek zou bovendien blijken dat de weigering van het gemeentebestuur om Pieters woning te reinigen pas een dag het bezoek aan de Duitse majoor aan Pieter werd betekend... maar de roddels waren al gezaaid. Toen majoor Schmidt en zijn chauffeur De Saffelaere in juni 1946 op de getuigenbank verschenen, verklaarden zij absoluut niet te weten dat Pieter Lauwers was betrokken.

september 1941 - Het huis van Pieter Lauwers wordt opnieuw besmeurd

http://www.laurentii.be/images/Puurs.jpgOp 7 september 1941 werd het huis van Lauwers-Muyshondt opnieuw besmeurd met beschuldigingen. In dit verband vielen bij de politiecommissaris de namen van De Cat en Van Calster, waar de eerste lid was van de 'Zwarte Hand', een plaatselijke verzetsgroep die in oktober hetzelfde jaar door de Gestapo werd opgerold nadat, zoals later zou blijken, een namenlijst was gevonden in de kerk van Tisselt3. Deze feiten zouden door sommigen in verband worden gebracht met Pieter Lauwers. De 'Zwarte Hand' was een verzetsgroep die niet alleen in Puurs, maar in heel Klein-Brabant en de Rupelstreek actief was, ook in Boom, Malderen, Sint-Amands en Bornem. De leider van deze weerstandsbeweging zou herhaaldelijk de onschuld van Pieter staande houden en waarschuwen voor "de loensche handelwijze van de teruggekeerde leden der Zwarte Hand, die ofschoon goed wetende hoe zij aangehouden zijn, dit angstvallig verzwijgen en trachten een verklikker te vinden om als helden door te gaan." 6 en ook dat het algemeen bekend was "dat verraad in eigen rangen en onvoorzichtigheid aanleiding was van hun aanhoudingen." Ook Jos Van Lent, overigens een medestander van De Cat, zou in 1946 getuigen dat hem het zwijgen werd opgelegd nadat hij verklaarde dat het hem verbaasde "dat men bij M. Lauwers alles kapot geslagen heeft; hoe is het toch mogelijk dat men M. Lauwers aansprakelijk heeft willen stellen voor onze aanhouding?"

Stemmingmakerij van vóór de oorlog

Al tijdens de schoolstrijd goed 20 jaar eerder had Pieter Lauwers, als onderwijzer aan de officiële school, rabiate vijanden gemaakt bij voorstanders van de vrije (christelijke) scholen, zoals de toenmalige onderpastoor Heylen en ene Frans Kerremans (zie ook verhaal interbellum). Pastoor Heylen had in die periode een initiatief van Pieter, om een plaatselijke afdeling van de 'Touring Club de Belgique' op te richten, geboycot. Toen Pieter een verzekeringspraktijk begon, kreeg hij ook hiervoor heel wat tegenstand. In 1935 probeerden Heylen en Kerremans een 'verbod voor cumul' bij het opnemen van het bijberoep te bewerkstelligen. Het gezin Lauwers-Muyshondt genoot een behoorlijke welstand en had zich een auto gekocht, wat blijkbaar de afgunst bij een aantal dorpsgenoten verergerde. Met de buren De Cat, waren er al twisten tussen 1935 en 1940.

Epiloog

Frans Mertens, gemeenteraadslid van Puurs, getuigde na de oorlog: "dat hij van oordeel is, als gemeenteraadslid, en inwoner van Puurs, dat het 99% uit jaloezie en geburennijd is en niet voor de politiek, dat een zekere groep personen der gemeente de woning van P. Lauwers heeft verwoest, en hem trachten te belasten. Dat hij weet dat vanover vele jaren op de Kalfortbaan de mensen als kat en hond tegenover elkaar staan. Dat degenen die geruchten rondstrooiden van verklikking niet het recht hebben dit te zeggen, ten eerste omdat zij zich op geen feiten steunen, maar op vermoedens, en hiertoe gebracht worden door persoonlijke jaloezie, ten tweede omdat het bewezen is dat enkele leden van de toenmalige weerstand, door onvoorzichtigheid elkaar hebben verraden; dat namelijk een der leden, op aanraden van 2 voorname personen van Puurs, die destijds werden aangehouden maar onmiddellijk terug in vrijheid gesteld, daar zij voorzichtig genoeg waren hun naam nergens op te zetten, een lijst hadden opgemaakt van de leden, lijst die waarschijnlijk verspreid is geweest. Dat hij wel meent dat er iemand die personen zou aangeklaagd hebben, maar nooit het vermoeden dat Mr. P. Lauwers dit zou gedaan hebben, heeft gekoesterd; dat hij vermoedens heeft op een andere persoon, waar hij bijna zeker van is. Toch heeft niemand het recht P. Lauwers te verdenken; wanneer eenmaal de gevangenen terugkomen zullen, zal het naar zijn mening, niet alleen duidelijk worden maar bewezen zijn dat hij hierin geen plicht heeft." Het was een getuigenis in een lange rij van getuigenissen in dezelfde zin (Etienne Maes, notaris, Gustaaf Schokkaert, onderwijzer, Jos Slachmuylders, dokter, Constant Aerts, een professor van Leuven, van wie twee verwanten (zonen?) geboren in 1913 en 1915 werden gearresteerd, Alfons Van Achter, gemeenteraadslid, enz.) die de dramatische gebeurtenissen van de na-oorlogse vergelding treffend kaderde.

 

 

Verhalen - Interbellum - Een oorvijg aan een leerling "ter wille van de handhaving van de orde en de zorg voor de toekomst"

In het oorlogsdossier van Pieter Lauwers bevindt zich ook een niet nader gedateerde brief van de leden van het onderwijzend personeel van de scholen in de 'Kring Willebroek-Puurs', gericht aan de procureur des Konings te Mechelen. De brief dateert vermoedelijk uit het Interbellum (de periode tussen de twee wereldoorlogen) en gaat over de klacht van vader Kerremans ten laste van Pieter Lauwers, omdat die een kind had geslagen.

De leerkrachten nemen het op voor meester Lauwers "om het eenvoudige feit zijn leerling te hebben gekastijd met een paar oorvegen met de bloote hand, die niet het minste letsel voor gevolg hadden." De opvoedkundige methodes van toen, met name het uitdelen van oorvegen, kunnen vandaag de dag niet meer, maar volgens de schrijvers was de gebeurtenis iets wat men "dagelijks ten laste kan leggen van elkeen van ons, daar die zaak bij ieder van ons voorkomt." Zij verzoeken de procureur geen rekening te houden met de klacht "om het prestige van den onderwijzer hoog te houden en om wille der handhaving van ons aller orde en gezorg voor de toekomst."

Zij tekenden met z'n allen verzet aan tegen "de ondankbare en gezagroovende handelwijze dier ouders." Onder een dertigtal handtekeningen herkennen we die van de leerkrachten Mees, Verbruggen, Boeykens, Scheltens, Verstraeten, Van den Houte,Saerens, Moeyersons, Schampaert, Van Gent, Caluwaerts, Cortebeeck, Verhaert, Maes, Segers, Cuyckens, Faes.

 

 

Genealogie Laurentii

Numquam solus incedes

 

 

Inhoud

Blog

Documenten

Foto's

Gezinnen

Stamboom

Startpagina

Thematisch

Verhalen

Verwante families

 

 

 

Voetnoten

 

1 Pieter werd nochtans als een christene beschouwd, en zijn dochter Renée schreef hierover later: "Nochtans waren de officiële scholen bevolkt met even christelijk personeel als de andere."

2 Wij vermelden enkel de hoofdrolspelers,  omdat het in eerste instantie de bedoeling is om het wedervaren van het gezin Lauwers - Muyshondt te verhalen, en niet om oude beschuldigingen op te rakelen.

3 Op 20 september 1941 werden twee leden van de Zwarte Hand gearresteerd. Algauw volgden tal van andere. De grootste onvoorzichtigheid was allicht geweest alle leden in te schrijven met naam en foto, en deze inschrijvingsformulieren te bewaren onder het altaar van de Tisseltse kerk, waar deze kort na de eerste arrestaties werden gevonden door de Duitse Sicherheitsdienst (Iets wat Pieter Lauwers overigens onmogelijk kon weten; hij had geen enkele binding met de verzetsgroep). 109 van de 111 leden werden opgepakt, slechts twee ontsnapten. Enkele geburen van Pieter Lauwers werden gearresteerd: de gemeenteontvanger Emiel De Cat (geboren op 9 april 1895 te Puurs, gefusilleerd te Lingen op 7 augustus 1943), Omer Van Lent, drukker Jan Frans Callaerts (geboren op 24 juni 1903 te Liezele, gehuwd met Delphine Huygelen, overleden te Sachsenhausen op 11 februari 1945), Louis Albert Hofmans (geboren op 29 januari 1920 te Puurs, gefusilleerd te Lingen op 7 augustus 1943).

4 Heel wat getuigen gaven aan dat bekend was dat Pieter zich politiek afzijdig hield. Hij werd meermaals als "vaderlands" bestempeld, ironisch genoeg de dekmantel die de acties van zijn tegenstanders moest verantwoorden.

5 Een buurvrouw, waarvan een zoon in de Witte Brigade zat, werd vermeld als aanstookster bij de plunderingen van 4 september, terwijl een andere dorpsgenoot en diens dochters volgens getuigen bij de wegvoering van mevrouw Lauwers en haar kinderen riepen: "Wij hebben u al 20 jaar lang gezocht, nu zullen wij uw pelsenfrakken dragen". Een citaat van een toenmalige, niet geheel onpartijdige, politieman, genoteerd door verschillende getuigen vat de onderliggende afgunst samen: "Schuldig of niet, ze hebben verdiend wat hun overkomen is door zich boven de andere menschen te willen stellen." of nog "Wie pluimen krijgt en ons boven de kop wil groeien, moet maar verdwijnen." (uit het gerechtelijk dossier).

6 O.m. genoteerd in een schrijven van Henri Nobels, advocaat, na een gesprek met de onderzoeksrechter. Sommige getuigen, zoals een commandant van de Witte Brigade, werden zelfs na hun aandringen om ten gunste van Pieter te getuigen, nooit opgeroepen. Het dossier nam zelfs een verrassende wending wanneer men onderzoek wilde doen naar de aanbrengers van "dwaalsporen" tijdens het onderzoek. Zo kwam o.m. aan het licht dat sommige getuigen ten gunste werden geïntimideerd om te zwijgen, o.m. door de hoger vermelde politieman, die ook werd vermeld in juni 1945 bij de mishandeling van Pieter Lauwers tijdens een ondervraging in de Dossin kazerne.

7 zogenaamde "decreet van 10 Vendemaire".

8 Dit bleek onder meer uit de getuigenis van mevrouw Schokkaert, de echtgenote van Gustaaf Schokkaert, een onderwijzer te Puurs, die regelmatig "wijsgeerige en opvoedkundige gesprekken" had met Martha Muyshondt, en die enkele uitspraken van Pieter en Martha citeerde: "Mr. Lauwers was zeer conservatief, heeft absoluut niet aan propaganda gedaan. Hij zou wel gezegd hebben "De Duitschers hebben een sterk leger, maar de geallieerden beschikken over meer machtsmiddelen." en "We bespraken dan soms het Nationaal-Socialisme, waarbij mevr. Lauwers en ik dan tot de conclusie kwamen dat het Nazisme totaal aft ekeuren was, omdat het den wil en de ontplooiing van een volk aan banden legde. Zij waren absoluut vaderlandsch. Mr. Lauwers beschouwde de feiten objectief zoals ze waren."

9 Het toenmalige OCMW.

10 Vooral deze opschriften op het voetpad stoorden een Duitse officier, die per auto poolshoogte was komen nemen, vervolgens naar het gemeentehuis was gereden en de gemeente opdroeg het huis te reinigen. De Duitsers speelden nadien overigens in op de symboliek van het "V"-teken, door het zelf te gaan voeren omringd door laurierbladeren, onder het moto "overwinning op alle fronten". Bronnen: kopie van het gerechtelijk dossier, teruggevonden via een (Nederlandse) verzamelaar van militaria; "De Zwarte Hand. Het verzet tegen de nazi's in Klein-Brabant en de Rupelstreek." door Tjen Mampaey, uitgeverij EPO 1993 (ISBN 9789064457401). Tjen Mampaey was 25 jaar onderwijzer in de Gemeenschapsschool van Puurs.