Shield_VHC.jpg

 

 

Verhalen - 1576 - Joos Lauwers getuigt over de Spaanse Furie te Antwerpen

Op 31 december 1576, verklaarden Joos Lauwers, 38 en koopman, François Moens, 34 en lijnwadenier1, Roelant Tancre, 45 en lakenbereider, Jacques Denys, 32 en makelaar, en Willem Henricxssen, grofsmid, op verzoek van Boudewyne Buens, weduwe van Jacques De Vick, dat de goederen van Boudewyne waren geroofd tijdens de Furie.

Diezelfde dag zijn er wel meer notities te vinden over de gevolgen van de Spaanse Furie2 te Antwerpen. Arnoult De Bont solliciteerde naar de vrijgekomen job van stadspeelman omdat tijdens de inname van de stad door de Spanjaarden één van de vijf stadspeellieden, Jennyn Verhoeven, was omgekomen. Er werd ook vermeld dat zijn weduwe de kostelijke "silvere bruecke die de speeluyden op henne eerlucke dagen gewoon zyn te draghen" had verstopt. Zij was daarbij geholpen door Adriaen Bammelroye, de twintigjarige leerjongen van haar man, en zij verzocht hem als beloning het poorterschap van de stad te gunnen.

Joos Lauwers werd ook op 14 april 1570 vermeld in een geschil met de Schout van Antwerpen. Hij werd er vermeld als 'herdoper' en het geschil ging er om dat hij zijn kind ongedoopt had gelaten. Dezelfde dag was er een rechtzaak tegen Herman Janssens, een boekdrukker die verboden boeken in zijn bezit had. Joos Lauwers stamde blijkbaar van een koopmansgeslacht. Er zijn eerdere meldingen van Lauwers als koopman te Antwerpen. Zo werd ook Pauwels Lauwers vermeld op 27 mei 1567 als koopman in wol die borg stond voor een kousenmaker.

Door geldgebrek van de Spaanse koning waren de troepen aan het muiten geslagen en trokken ze uit de noordelijke Nederlanden naar het rijkere zuiden, en vooral Antwerpen. 

Volgens de getuigenissen ging het er wreed aan toe begin november 1576: vrouwen werden verkracht, mannen het hoofd ingeslagen, en honden dronken het bloed van de doden. Het Antwerpse stadhuis en andere gebouwen werden in brand gestoken. Het aantal slachtoffers is niet exact bekend, maar men sprak van duizenden doden.

George GascoigneDe ooggetuigenis van George Gascoigne3, een minder bekende Engelse dichter die in opdracht van een Engelse edelman de verwoestingen beschreef, sprak boekdelen. George Gascoigne was in 1571 in dienst gegaan van het Hollandse leger om een gevangenisstraf te ontlopen. Hij was ooggetuige van van wat hij beschreef als barbaarse wreedheden. Hij keerde hetzelfde jaar terug naar Engeland, en stierf er twee jaar later. Hij meldde dat er 600 Spanjaarden stierven en 17000 mannen, vrouwen kinderen werden gedood – een cijfer dat volgens andere bronnen eerder 7000 zou zijn.

George Gascoigne zag dat de Spaanse soldaten in het geheel niet letten op leeftijd of geslacht, tijd of plaats, persoon of afkomst, ambacht of religie, sterk of zwak. Zij “triomfeerden genadeloos en bloeddorstig, en niets of niemand kon hen weerstaan”. Kleine kinderen en nog meer vrouwen van boven de tachtig moesten het ontgelden. De razernij duurde tot tien dagen na de inval. Hij vergeleek hun respect voor de kerk als “zo groot als dat van een slachter voor zijn slachthuis”, alle huichelachtige praat over het katholieke geloof ten spijt. Vriend noch vijand werd gespaard. Onder de slachtoffers waren ook Portugezen en Turken en religieuze groeperingen zoals Jezuïeten. Alles moest worden ingeleverd wat in klinkende munt kon worden omgezet. De rijke werd geplunderd omdat hij iets bezat, de arme werd opgehangen omdat hij niets bezat. De gruwelen gingen verder lang nadat alle weerstand was gebroken.

Gascoigne sprak van stapels lijken in de loopgraven die vaak hoger waren dan manslengte, heel wat mensen die verdronken waren in het nieuwe stadsdeel waar men “de menselijke doodstrijd in net zoveel vormen kon aanschouwen als Michelangelo er heeft geschilderd in Het Laatste Oordeel”.

Talloze Alemanen (Duitsers) werden verbrand in hun harnas. Van sommigen waren de ingewanden verkoold, maar de rest van het lichaam was nog gaaf. “Soms waren hoofd en schouders weggebrand en kon men in het lichaam kijken om de geheime anatomie van de natuur te bestuderen. Bij andere was het onderlichaam weggebrand, zodat zij vanaf hun middel rechtstonden. Bij anderen was alleen het bovenste deel van de kruin verteerd, terwijl de rest van het lichaam kronkelde in onmenselijke pijnen.” Hij zag een weerzinwekkende vervuiling - doordat de ingewanden van paardenkadavers her en der op straat lagen en omdat de lijken niet begraven werden - “die over de stad hangt en al wat nog leeft aantast”. De opzettelijke verbranding en verwoesting van het stadhuis en alle papieren en archieven van de stad, en hoe meerdere vrouwen van aanzien en maagden werden verkracht, vond hij teveel voor woorden.

De herinnering van een arme Engelse koopman die het eigendom van zijn heer had gekocht voor 88 gulden liet hem niet los. De man werd opgehangen tot hij half dood was omdat hij niet nog eens 55 gulden kon opbrengen. Toen de man werd neergehaald, smeekte hij zijn belagers op zijn knieën en bitter wenend of hij zijn vrienden in de stad mocht opzoeken om de rest van het geld voor de schaamteloze eis in te zamelen. En bij zijn terugkeer – en hij maakte geen haast omdat hij er niet in geslaagd was voldoende geld te vergaren – hingen zij hem opnieuw op. In een plotselinge vlaag van “vriendelijkheid” vorderden ze een monnik op om hem te begraven. Volgens Gascoigne waren 5 op de 17 slachtoffers vermoord omdat zij niet genoeg geld hadden om hun eigendommen vrij te kopen.

Men kon beter ook geen Waal geweest zijn, want tien dagen na de inval werden alle vermeende Walen onmiddellijk en zonder proces gedood. Gascoigne ontsnapte zelf ternauwernood aan de dood toen men hem op zondag de 11e voor een Waal aanzag. Drie mensen die als Waal werden aangewezen, werden vermoord in zijn bijzijn en één van hen bleek een arme ambachtsman te zijn die al acht jaar in de stad woonde, nooit had gevochten, en er slechts zijn ambacht had uitgevoerd.

De Spaanse Furie leidde er toe dat Antwerpen, dat voorheen één van de welvarendste steden van Europa was, nauwelijks drie dagen na de inval geld noch rijkdom bezat. “Want elke Don Diego paradeerde nu, behangen met gouden kettingen en armbanden met zijn lichtekooien door de stad”. Uit angst om koopwaar te verliezen, staakte Engeland de handel met Antwerpen en de stad zou deze zware klap niet helemaal te boven komen. "Antwerpen ... Noyt rijcker Stadt En was ter weerelt vonden, Vol weelden abondant, Lieflijck en playsant Schoone van timmerage; Maer duer de Spaengiers quat Leeft ghy nu desolaet, Jammerlijck, vol quellage. 4

De gebeurtenissen gaven aanleiding tot de pacificatie van Gent op 8 november 1576.

 

Afbeelding: brandstichting in het Antwerpse stadhuis op 4 november 1576

 

File:De Spaanse Furie - De verwoesting van Antwerpen 1576 (Hans Collaert, 1577).jpg

Afbeelding: De Spaanse Furie te Antwerpen volgens Hans Collaert, 1577

 

illustratie

Afbeelding: Antwerpen op een houtsnede van 1515.

 

 

Genealogie Laurentii

Numquam solus incedes

 

 

Inhoud

Blog

Documenten

Foto's

Gezinnen

Stamboom

Startpagina

Thematisch

Verhalen

Verwante families

 

 

 

Voetnoten

 

1 Lijwatier, lijnwadenier = handelaar in /verkoper van lijnwaad, linnen of linnengoed

2 Met de Spaanse furie, wordt de plundering en brandstichting van de stad Antwerpen bedoeld die plaatsvond vanaf 4 november 1576, tijdens de Tachtigjarige oorlog, door een 5000 militairen in dienst van de Spaanse koning Filips.

3 Zie ook de bewerking in het tijdschrift “Historia” nr.2 van februari 2010 en “Eyewitness to History”, Avon Books, 1997.

4 Geciteerd in P. Génard, “La furie Espagnole. Documents pour servir à l'histoire du sac d'Anvers en 1576”, Antwerpen, 1876